Lasso zag het licht in 2006. Inmiddels bestaat de vzw meer dan 15 jaar. Vijftien jaar waarin er heel wat veranderde op het gebied van cultuurparticipatie en doorheen de verschillende sectoren waar Lasso mee werkt. In dit interview geven Anja (algemeen coördinator) en Marijke en Ine (projectcoördinatoren) mee hoe zij terugkijken op deze evoluties. Ook wordt er vooruit gekeken, naar de periode 2022-2025, aan de hand van de werklijnen van Lasso's nieuwe beleidsplan.

Lasso bestaat inmiddels 15 jaar. Wat zijn, vanuit jullie perspectief, de belangrijkste evoluties die jullie zagen plaatsvinden in de verschillende sectoren?

Ine: Voor onderwijs denk ik dat alle onderwijsvernieuwingen cultuur wat in een hoekje duwen. Maar anderzijds maken ze ook veel mogelijk, doordat de eindtermen zo vaag geformuleerd zijn: ze laten veel ruimte voor ruimdenkende en flexibele leerkrachten om hun ding te doen. Ik denk ook dat het besef in het onderwijs gegroeid is dat cultuur binnen de schoolmuren een meerwaarde is of kan zijn. Niet alle scholen, directies en leerkrachten zijn daar natuurlijk helemaal van overtuigd. Maar heel wat scholen profileren zich de laatste jaren wel explicieter rond cultuur. Binnen jeugdwerk merk ik dat er meer geïnvesteerd wordt in de jeugdwerkers zelf. Vanuit het idee dat jeugdwerkers belangrijke gatekeepers zijn. Het is dus belangrijk om hen mee in het culturele bad te nemen. Naar mijn gevoel gaat daar op het vlak van vorming binnen jeugdwerk meer aandacht naartoe.

Marijke: Vandaag de dag vullen jeugdwerkingen hun vrije tijd zelf in, waarbij jeugdwerkers de stad meer zien als een plek waar ze leuke dingen kunnen doen en musea als iets waar ze thuis kunnen zijn. Culturele professionals hebben ook veel meer beseft dat, als ze groepen in hun vrije tijd willen bereiken, dat ze dan niet gewoon voor een schools aanbod moeten gaan. Dat bijvoorbeeld een groep kinderen die op woensdagnamiddag komt, nood heeft aan speelsere, ludieker activiteiten.

Anja: De eerste opdracht van Lasso was toeleiding: mensen begeleiden naar cultuur. Nu zetten we veel meer in op samenwerking en gelijkwaardigheid. We gaan veel meer op zoek naar een dialoog, met vragen als ‘Wat interesseert hen?’, ‘Wie kan betrokken worden bij die interesse om iets concreets rond cultuur te doen?’... en vervolgens gaat we het gesprek aan over wat mogelijk is. Vroeger was het aanbod afgewerkt en klaar, daar moest dan naar toe geleid worden. Vandaag is er veel meer dialoog en maatwerk. Dat is wel een evolutie. Natuurlijk heeft zoiets ook te maken met de maatschappij die verandert. Mensen willen niet langer iets aangereikt krijgen dat ze zo maar moeten consumeren. Er bestaat een veel grotere wens naar interactie. Het gaat dus om een mentaliteit die maatschappelijk verandert en waar wij ook uiteraard onze werking aan aanpassen. Na 15 jaar zitten we in een andere werking, dan die waar we ooit mee startten.

Marijke: Ik denk dat wij in Brussel ook wel een motor zijn om net die andere manier van werken, met samenwerking, netwerking en duurzame relaties tussen sectoren, te stimuleren. En dat we zo mee bijgedragen hebben aan participatie op een andere en bredere manier in te vullen.


Jullie ondersteunen diverse organisaties en instellingen om zo de cultuurparticipatie in Brussel te versterken. Pakken jullie dat anders aan, afhankelijk van de sector waarmee je werkt?

Ine: Toch wel. De culturele sector bijvoorbeeld werkt in eerste instantie rond een cultureel aanbod, bijvoorbeeld een voorstelling voor jongeren. Maar soms is het probleem dat ze niet tot bij die jongeren raken. Hun vraag is dan concreet: help ons die jongeren te bereiken. Bijgevolg zijn ze op zoek naar feedback op hun manier van aanpak, naar goede praktijkvoorbeelden, naar contacten,… . Vanuit jeugdwerk of onderwijs is de eerste vraag eerder : “we willen een toffe activiteit doen” of “we willen eens een workshop doen met een kunstenaar”. Welke specifieke activiteit is daarbij minder van belang, zolang de jongeren zich goed voelen bij wat er gebeurt of - in een onderwijscontext – dat het educatief verantwoord is.

Anja: Cultuur ontdekken is vaak het bos door de bomen zien en in Brussel is dat niet zo evident. Er is zoveel, voorstellingen en tentoonstellingen gaan ook snel voorbij... Dat is ook een beetje typisch aan een grootstedelijke omgeving. Er is veel vernieuwing, ook in het culturele aanbod, en tegen dat je beslist hebt om ernaartoe te gaan is het alweer afgelopen. Daarnaast zijn er ook tal van kunstenaars en creatieve plekken. Voor een leerkracht, jeugdwerker of groepsbegeleider is het meestal niet evident om daar een zicht op te krijgen. Lasso helpt hen en is voor hen een gids doorheen het aanbod.

Marijke: Bij specifieke groepen volwassenen, bijvoorbeeld mensen met een beperking of met beperkte mobiliteit, denk ik dat er vooral wordt gezocht naar een fijne, positieve culturele ervaring: een leuke uitstap of toffe workshop. Vaak gaat daar geen intensief participatief traject aan vooraf. Socio-culturele organisaties creëren zelf soms ook een gevarieerd cultureel aanbod en zijn vaak zelf op zoek naar publiek hiervoor.


In het nieuwe beleidsplan staat dat Lasso volop wil inzetten op experimentele projectwerking. Hoe zien jullie dat juist?

Anja: We deden dat al, maar nu hebben we het specifieker gedefinieerd. De bedoeling is om met een aantal partners een verhaal te schrijven dat we inspirerend vinden voor het breder veld hier in Brussel en erbuiten. Nieuwe dingen uitproberen, nieuwe doelgroepen bereiken voor die partner, op andere manieren, met nieuwe methodieken... En dat is eigenlijk het idee achter onze projecten, om die toch wat meer in een experimentele richting te sturen. In de brede betekenis van het woord, want wat voor de ene een experiment is, is voor een ander al ingeburgerd. Op die manier kunnen we onze netwerken ook weer nieuwe dingen aanreiken. Want het is door het ook zelf te doen en er een aantal verhalen rond te ontwikkelen, dat je inspirerend kan werken

Ine: We focussen ons dan op één experiment met bijvoorbeeld tien personen. Dat is zeer arbeidsintensief, maar kan op termijn wel een heel andere blik op de organisatie opleveren. Dat brengt dan weer structurele aanpassingen met zich mee, die op termijn op veel meer mensen effect zullen hebben. Misschien is dat ook wel één van de evoluties. Vroeger moest alles groot zijn, en veel, en met toeters en bellen. Vandaag leeft meer en meer het besef dat zo'n ambitieuze projecten niet altijd haalbaar, noch wenselijk zijn. We zetten beter in op kleinere initiatieven die iets kunnen teweegbrengen en energie kunnen geven om aan een volgende stap te beginnen.


Ook netwerking, kennis- en expertisedeling zijn belangrijke pijlers van dat beleidsplan. Waarom hechten jullie daar zoveel belang aan?

Anja: Het hangt allemaal samen, maar de netwerken zijn echt een beetje de onderstroom van onze werking. Dat zijn een groot aantal organisaties, mensen waarmee wij regelmatig contact hebben en waardoor we voeling kunnen houden met wat er leeft in de verschillende sectoren, ongeacht of ze op dat moment bij een specifiek Lasso-project betrokken zijn of niet. Daarnaast hebben we dan de projecten, waarmee we op bepaalde momenten thema's willen aanpakken die we binnen onze netwerken detecteren, en dit samen met een aantal partners die mee in het experiment stappen.

Ine: De projecten maken dat we, door het het zelf te doen, ook recht van spreken krijgen. En ook in de praktijk zien hoe dingen werken, waar je op botst, wat je vooruit helpt of afremt. We willen het ook zelf beleven, actief, van dichtbij.

Marijke: Door de projecten kunnen wij de verdieping aangaan. Misschien niet met veel partners tegelijk, maar het uitgangspunt is altijd dat we iets terugkoppelen: via onze communicatie, een artikel, een tool of instrument dat voor een breder publiek bruikbaar is. Ook tijdens onze events staat de expertisedeling centraal. We willen eigenlijk alle professionals en vrijwilligers in ons netwerk zoveel mogelijk inhoud aanreiken, zodat ze het warm water niet zelf moeten uitvinden.


En het vormingsgedeelte, het begeleidingsgegeven… Waar zien jullie dat in het verhaal?

Anja: Onder vorming verstaan we onze opgebouwde expertise op een diepgravende manier delen. Een event met een infosessie, waarin iemand gedurende een uur iets uitlegt, dat werkt uiteraard inspirerend. Maar onze vormingen en begeleidingen gaan veel meer in de diepte en reiken meer handvaten aan om zelf aan de slag te gaan.

Ine: Dat is ook het voordeel van een tweedelijnsorganisatie zoals Lasso, dat wij daar tijd voor hebben. Eerstelijnsorganisaties moeten altijd maar ageren en reageren. Als het ene project gedaan is, moeten ze alweer naar het volgende. Wij hebben meestal wel de ruimte hebben om even een stap terug te zetten en van op een afstand te analyseren wat we nu eigenlijk gedaan hebben en dit dan ook weer terug te koppelen naar het werkveld.

Marijke: Vorming kan de start zijn van een project, als tussenstap tussen netwerking en een dieper traject met iemand, maar het kan evengoed als sluitstuk van een project of net als stap naar kennisdeling ingezet worden.


Inmiddels hebben we vier van de vijf elementen uit het beleidplan besproken: experimentele projectwerking, kennis- en expertisedeling, vorming en begeleiding en netwerking. De laatste werklijn is 'Lasso als laboratorium'. Wat bedoelen jullie daarmee?

Anja: Als we van organisaties verwachten dat ze inzetten op participatie, vind ik dat we dan binnen onze eigen organisatie ook moeten kijken hoe we Brussel kunnen binnentrekken. Een diversiteitstraject met Actiris was bijvoorbeeld een eyeopener rond het personeel- en stagebeleid. De bedoeling is natuurlijk ook dat alles nog meer doorstroomt naar de andere structuren, naar andere delen van onze werking. We moeten durven experimenteren, uitproberen om vervolgens te tonen: zo kan het werken.

Marijke: We organiseren bijvoorbeeld onder meer netwerkevents voor professionals. Zo'n ontmoetingsmomenten zouden we heel standaard kunnen doen, maar wij willen mensen er meer écht bij betrekken zodat zoiets eigenlijk een experiment op zich wordt. Dit door het inschakelen van kwetsbare vrijwilligers, omdat we jongeren een leerkans geven, sociale catering boeken,... Als we die uitdagingen niet voor onszelf stellen, dan weten we eigenlijk niet waarover we praten.

Ine: Ik denk ook dat dat te maken heeft met leerkansen bieden doordat we experimenteren, maar wel experimenteren in een veilige context die een kader biedt en waar je ruimte hebt om iets op te vangen als het misloopt. Al doende beseffen we dan samen dat sommige dingen niet zo evident zijn. En snappen we dat het allemaal misschien niet zo snel gaat, dat alles wel wat inspanning vraagt. En zo ontwikkelen we een mildheid en begrip over de sectoren heen... Is dat geen mooie quote om mee te eindigen?